Islam (lesbrief)
Mohammed
Mohammed was de stichter van de islam. Hij was een profeet, die vele visioenen kreeg. In die visioenen liet God hem zien hoe de mens moest leven. Mohammed vertelde de mensen in het gebied rond Mekka en Medina (Arabië) dat er maar één god was, Allah, de enige en ware. De mensen geloofden dat God hem niet voor niets had uitgekozen, want hij was een wijs man.
Na Mohammeds dood werd Aboe Bakr gekozen als zijn opvolger. Hij liet alles wat Allah in visioenen tegen Mohammed had gezegd, in een boek opschrijven. Dit werd de koran. In een ander boek, de soenna, stond de uitleg die Mohammed aan de visioenen had gegeven. In deze boeken staat alles wat een Moslim moet weten om een goed en gelovig leven te leiden.
De vijf zuilen.
De Islam steunt op vijf zuilen. Een goede moslim voldoet aan deze vijf zuilen.
Het begint met een getuigenis waarin de moslim zegt dat er maar één god is (Allah). Mohammed is zijn profeet.
De tweede zuil is dat een moslim vijf keer per dag bidt in de richting van Mekka (het oosten).
De derde zuil geeft aan dat je geld moet geven aan de armen. De vierde zuil is het meedoen aan de Ramadan. En de laatste zuil bepaalt dat je minstens één keer in je leven op bedevaartstocht moet naar Mekka.
Een goed moslim probeert hieraan te voldoen. Mocht dit echter niet lukken (door ziekte of armoede o.i.d.) dat wordt dit de moslim vergeven.
De verspreiding van de Islam
De islam werd in eerste instantie verspreid vanuit Arabië. De opvolgers van Mohammed veroverden vele landen om het Arabische rijk uit te breiden. Zo ook landen als Spanje, Griekenland en Italië. Honderd jaar na Mohammeds dood was de islam verspreid over veroverde gebieden, Noord-Afrika en zelfs tot China aan toe.
Toen in 750 na Chr. bijna heel Spanje was veroverd wilden de Arabieren Frankrijk binnenvallen. Ze werden echter tegengehouden door de legers van de grootvader van Karel de Grote. Ook Karel de Grote zelf heeft tegen de moslims gevochten.
Aan het eind van de 11de eeuw hadden de Seldsjoeken, een Turks volk, Palestina veroverd. Palestina was het gebied rond de stad Jeruzalem, dat nu Israël heet. De christenen in Europa noemden Palestina “het Heilige Land”. Jezus had daar geleefd en was daar aan het kruis gestorven. Veel christenen gingen als pelgrim naar Jeruzalem. De Seldsjoeken waren moslims en veel fanatieker dan de Arabieren. Zij verboden de christenen naar Jeruzalem te reizen. De leider van de katholieke kerk, de paus, was hier zeer boos over. Hij riep de christenen op het heilige land te heroveren.
Tussen 1100 en 1300 trokken er zeven keer grote legers naar het Heilige Land om de moslims te verjagen. Deze tochten werden kruistochten genoemd.
Handel van oost naar west.
De arabieren waren vooral een handelsvolk. Hun veroveringen waren niet alleen bedoeld om de islam te verspreiden. Ze wilden ook handel drijven in de nieuw veroverde gebieden. Over oude karavaanroutes en via de Indische Oceaan trokken Arabische kooplieden naar het Verre Oosten. Daar ruilden ze hun waar tegen voor hen onbekende producten, zoals katoen, papier, zijde, ivoor, edelstenen, peper en kaneel. Deze producten verkochten ze later in grote steden zoals Venetië, Constantinopel (Istanboel) en Florence.
Arabische geleerden.
In de Middeleeuwen konden Europese geleerden veel leren van Arabische geleerden. Vooral in de steden kon je zien dat de Arabieren een ontwikkeld volk waren. In Bagdad stond zelfs een universiteit en er waren verschillende bibliotheken. In veel Arabische steden waren ziekenhuizen. Hieruit kun je afleiden dat de Arabische artsen al heel wat wisten over geneeskunde. Dit kwam mede doordat zij onderzoek deden bij overleden mensen. Zij probeerden zo te achterhalen waarom die mensen waren gestorven.
De cijfers waarmee wij rekenen zijn Arabische cijfers. Ze zijn bedacht door Arabische geleerden van vele eeuwen geleden. Deze cijfers werden door kooplieden gebuikt bij de handel. Je kon er berekeningen mee maken die met Romeinse cijfers onmogelijk waren. Geleerden gebruikten ze om ingewikkelde berekeningen te maken. Dat noemde men “wiskunde”. Met wiskunde konden ze bijvoorbeeld uitrekenen hoe ver de sterren van de aarde af staan. Telescopen bestonden toen nog niet, maar door hun berekeningen wisten ze heel goed hoe het heelal eruitziet. De Arabische geleerden kenden de planeten en wisten bijvoorbeeld dat Jupiter veel groter is dan Mercurius.